Helinus

Dit verhaal ben ik ooit begonnen als experiment in het genre Fantasy. Het heeft een tijdje als kort verhaal in de kast gelegen voordat ik besloot het idee verder uit te werken. Inmiddels is het een dik boekwerk geworden, waarvan ik hier de proloog en het eerste hoofdstuk aan het lezerspubliek voorleg. Ik hoop dat het kan bekoren, of anders dat het bruikbare feedback oplevert. Alvast bedankt!

In het hoge noorden van Verlaten Aarde raakt Danar, een verdwaalde straatzanger uit Metropool, verstrikt in de ondoorgrondelijke wetten van een afgezonderde gemeenschap. Honderden jaren hadden de bewoners zich in hun afgelegen vallei verborgen weten te houden voor het kwaad van de Vijandster, en smeedden zij hun plannen. Maar zijn levensverhaal, aangevuld met de geschiedenis van zijn geboortestreek, wordt door enkelen gretig aanvaard: Danars Lied wordt de nieuwe basis voor een teloor gegaan mythologisch verleden. Het oude geloof in de Wraak wankelt en er ontketenen zich gebeurtenissen die niemand had kunnen bevroeden. De gemeenschap splijt en een deel ziet zich genoodzaakt op zoek te gaan naar het mythische land van de bezongen godin Nebula, waarna oeroude krachten de vallei overrompelen en er een helse jacht begint. Ook Danar zal letterlijk tot zijn inspiratiebron moeten afdalen om te kunnen overleven.

Landkaartje van het Roepende Land



Proloog

Het wuivende riet van het land waar we nu wonen, geeft ons maar weinig reden om terug te verlangen naar de vallei in het Hoge Noorden, waar het allemaal begon. Het is zo lang geleden, zo ver weg en het leven was er zo anders dat het mij soms verbaast dat er in mijn herinneringen zoveel beelden gegrift bleven. Ik was nauwelijks vier toen de man in ons leven kwam, een verdwaalde reiziger met een grijze baard die de dood recht in de ogen keek op het moment dat ik heb vond. Ik was zijn redding en zijn dankbaarheid verborg hij nooit, en daarvoor ben ik hem minstens even dankbaar. Danar werd algauw onze eerste geschiedzanger. De gebeurtenissen die zijn komst ontketenden, gingen mijn kinderverstand te boven en er ging veel tijd overheen voordat ik alle liederen daarover begreep. Nu ben ik zelf een geschiedzanger. Hier in Helinus zing ik het Lied voor de allergrootsten op Aarde.
Die eerste zomer had ik er geen enkele moeite mee Danar te begrijpen. De taal van de vallei zou hij nooit vlekkeloos spreken en zijn eigen taal was die van het Lied, die niemand uit ons buitenkamp nog kende. Voor de kleuter die ik was, was dat helemaal niet erg. Er was geen taal voor nodig om heimelijk met Pegel en Hagel mee het bos in te gaan en Danar in de struiken na te sluipen op zijn lange wandeltochten door het woud. Voor ons kinderen was hij een man van magie. In de stilte was hij veel meer bedreven dan wij en zodra hij ons opmerkte, wist hij altijd spoorloos te verdwijnen. Alleen ik wist hem dan te vinden en ik waakte er wel voor dat niemand zijn schuilplaats te weten kwam. Er was daar iets onder de grond, trachtte hij me eens met allerlei grappige gebaren duidelijk te maken. Ik knikte. Iedereen wist toch dat de oever van de beek langs de voet van de heuvel liep waaronder de Burcht gelegen was? Daar werd het Verbond bewaakt. Zelfs de kinderen van het buitenkamp wisten dat het Verbond heel belangrijk was.

Stroomopwaarts wachtte hij me gewoonlijk met een brede glimlach op en dan wees hij naar de platte steen naast zich. In de zomer was het een fijne plek om te vertoeven en bovendien was het niet ver van de plek waar ik hem die winter bewusteloos had aangetroffen. De beek was toen bevroren en verborgen onder een dikke laag sneeuw en hij zou zeker doodgevroren zijn als ik die dag niet zover van het buitenkamp was afgedwaald. Ik was er zeker van de roep van een bekende te hebben gehoord, maar ik had me vergist. Bij de bevroren oever vond ik zijn wonderlijke gele voertuig het eerst.. Het was die razendsnelle sneeuwscooter waarmee Danar de vallei was binnengereden! Die zou de stam later nog goed van pas komen. Danar lag ernaast in de sneeuw, door uitputting geveld. Ik kan me nauwelijks nog herinneren hoe ik het buitenkamp bereikte en Varnu, onze leider, waarschuwde, maar Danar had zeker ernstige bevriezingsverschijnselen opgelopen, of erger, als ik niet zo snel had gerend en hulp te lang op zich had laten wachten.
Het was goed afgelopen. Op de platte steen liet hij me luisteren naar de geluiden van het woud en van het water dat murmelend zijn weg door de vallei vond. Alsof hij me toen al duidelijk wilde maken dat er behalve de vallei nog een hele wereld daarbuiten bestond. Zijn wereld was stroomafwaarts. Hij gooide bladeren en takjes in het water en wees die na totdat ze uit het zicht verdwenen waren. Daar kwam hij vandaan. Nee, nog verder! Hij maakte een weids gebaar met zijn handen, alsof er een plek bestond met zoveel water dat je de overkant niet eens kon zien. Daar voorbij was zijn geboorteland. Helinus! Ik schudde ongelovig mijn hoofd. De beek ging toch niet verder dan de trollenweg, waar al het water onder de grond verdween? De beek behoorde bij de vallei, dat had Zerina ons zelf verteld, en alleen grote jagers, zoals Varig en Varnu, wisten de weg naar buiten te vinden. Naar Verlaten Aarde.
Van de zee had ik nog nooit gehoord. Toen we die eenmaal bereikten, was ik evengoed met stomheid geslagen als ieder ander van de stam. Stel je voor, van zoveel water hadden we niet eens kunnen dromen! Wie had toen ooit kunnen denken dat de grote oversteek ons leven zelfs nog meer zou veranderen dan onze bevrijding van de burcht! Elke dag wordt mij tegenwoordig gevraagd het verhaal opnieuw te vertellen. Maar voor ik daarmee begin, vertel ik altijd eerst hoe dankbaar we Varnu moeten zijn. Hij was het die in het Lied van Danar durfde geloven. Varnu heeft ons naar Helinus geleid en de wereld van het Lied werkelijkheid gemaakt. Uiteindelijk niet alleen voor ons, maar voor iedereen die de wereld erdoor zag veranderen.



Hoofdstuk 1. Lied

Met een klap viel de deur achter hem dicht in de grendel. De blauwe gloed die net nog het woud een spookachtige aanschijn had gegeven, verdween op slag. Na een halve nacht in de klamme krochten van de onderaardse burcht te hebben doorgebracht, knipperde hij met zijn ogen tegen het licht van de zon. Het was een verademing om zijn longen weer te kunnen vullen met de buitenlucht. Danar had gelijk, hij moest er niet aan denken daarvan verstoken te zijn. Maar kennelijk verlangden de bewoners van de burcht onder de heuvel niet naar frisse lucht. Was het waar dat daglicht en ochtendbries een ander mens van iemand maakt? Het was heiig en dat beloofde een stralende dag, hoe grillig het weer in de vallei soms ook was. Hij trok zijn mantel stevig om zich heen en zette zich in beweging. Het was niet ver lopen naar het buitenkamp.
In de burcht hielden ze geen rekening met het dagritme. Het verschil tussen dag en nacht waren ze vergeten. Alles draaide er om technologie en wiskundige formules ter voorbereiding op de Wraak. Danar was de enige die zich daar zorgen om maakte, geen wonder ook dat ze hem in de burcht wantrouwden! Begreep hij dan niet dat hij zichzelf met zoveel vragen verdacht maakte? In gedachten verzonken ploegde hij voort. Zijn adem liet wolkjes achter en de sneeuw knarste onder zijn laarzen van gelooide rendierhuid. Hij volgde een flauwe helling naar beneden en was al een eind op weg. Lang geleden had zijn stam het harde buitenleven verkozen boven het leven in de onderaardse burcht en nu was het zijn beurt om te leiden. Toch bleef de bedompte lucht van de burcht hem achtervolgen.
Hij bereikte de voet van de heuvel, waar het woud geklaard was en Vijandster nu vrij tussen de kruinen op hem neerkeek, even onbeweeglijk vanaf haar vaste plek aan het gewelf als ondoorgrondelijk. Niemand van zijn stam die daar nog op lette. Haar verhaal speelde een rol bij de Wraak, maar buiten was de angst voor de vijand inmiddels uitgewerkt en alleen burchtlieden waren nog voor haar bevreesd. Ook Danar haalde er zijn schouders voor op, alsof geen enkel verhaal over Vijandster het waard was om te vertellen.
Voor zich uit zag hij dat de drie woontenten van het buitenkamp tijdens zijn afwezigheid waren ondergesneeuwd. Ook de takken van de bomen eromheen waren zwaarbeladen met ijzel en sneeuw. De leren overdekking van de tenten was nauwelijks te zien en er waren geen sporen die erop wezen dat iemand daar in of uit was gegaan. Sliep iedereen nog of had niemand zich sinds gisteren bewogen? Hij maakte een omtrekkende beweging naar waar hij de avond ervoor het kampvuur had verlaten. Daar vertraagde hij zijn pas. Rookslierten kringelden omhoog als witte geesten.
Buiten adem van gekwetste trots hield hij stil in de schaduwen. Bij de eik aan de rand van het bos sloeg hij zijn stamleden gade. Die hadden zich in een kring rond de brandende houtstronken geschaard. Alle aandacht ging naar Danar, precies zoals Varnu hen in de stilte rond middennacht had achtergelaten, alsof de tijd had stilgestaan in zijn afwezigheid. Hij verzamelde al zijn moed. De burchtleiding had hem opgezadeld met het bevel tot een onmenselijke daad en hij kon er niets tegen doen zonder zijn stam in levensgevaar te brengen. Hoe kon hij ze het afschuwelijke nieuws brengen?
De oude man in zijn kleurige mantel was hun geschiedzanger. Varnu had hem daartoe benoemd. Aan de vurige gloed die oplichtte in de ogen van de toehoorders, zag hij dat de grijsaard hen in een magische ban hield. Zijn zang was van een puurheid die maakte dat iedereen hem onmiddellijk begreep, ook al was de taal van het Lied een andere dan die van de vallei. De woorden werden gezongen met sonore stem en verhaalden van verre werelden en vervlogen tijden. Hij was zich van geen kwaad bewust van het onheil uit de burcht. Zelfs Varnu had geen kwaad kunnen zien in het vertellen van verhalen, maar de leiders van de burcht hanteerden andere maatstaven. Vanuit de onbekende buitenwereld had hij het Lied naar hen gebracht en al was niet altijd duidelijk waarover het verhaalde, toch was de kijk op het leven in de tenten van het buitenkamp er ingrijpend door veranderd. De gezichten rond het vuur waren één en al gespannen aandacht. De schare pleegkinderen, twintig in aantal, variërend in de leeftijd van nul tot elf jaar, waren meestal niet stil te krijgen, de erg wilde en harige Jolu nog wel het minst, maar naar de stem van Danar luisterden ze ademloos. Kerla en Rolu hadden zich in de warme wolvenvacht van grootmoeder Zerina genesteld, gezeten op een houten bank, en naast haar zat zijn zus. Erna maakte opbeurende gebaren naar de kinderen op de grond, die hun verkleumde handen bij het vuur warmden. Vera, zijn levenspartner, zat tegenover hen en schreef alles op, ernstig als altijd en lijdzaam in de wetenschap dat opschrijven van het Lied zeer tegen zijn zin was. Maar vandaag kon hij Danar erom vergeven haar altijd hierin te hebben aangemoedigd.
Hij was van de oude man gaan houden als een zoon van zijn vader. Niet in het minst om zijn verhalen. Die waren vol verwondering en magie en openbaarden een andere werkelijkheid dan de leer van de burcht toestond, over de wereld buiten. Zulke verhalen waren hem tot de komst van Danar onbekend geweest. Mogelijk waren die vertellingen al eeuwen geleden in de vallei in vergetelheid geraakt, maar Danar vond het waarschijnlijker dat de burcht de verhalen uit het Lied, of welke andere verhalen dan ook, nooit had toegelaten. Geen wonder dat niemand graag verstek liet gaan om te luisteren, vanaf het allereerste moment dat Danar bij hen gekomen was en zijn dagelijkse verhaalronde deed. Alleen Schetter en Wurm, de allerkleinsten, gaven de voorkeur aan een dutje, zoals nu in de armen van Merel en Lijster. Die meisjes draaiden al bijna helemaal met de stam mee. Kon hij maar evenveel steun verwachten voor de taken buiten het kamp! Daarin stond hij al geruime tijd alleen. Hagel en Pegel waren nog veel te jong om hem van nut te zijn, ook al had hij hen het afgelopen jaar voor het eerst meegenomen op jacht. De herinneringen aan hun enthousiasme en ontluikend jagersinstinct brachten een vage glimlach om zijn mond terug, die echter verdween zodra zijn blik opnieuw naar Danar werd getrokken.
Als iemand hem al had opgemerkt dan was Vera de enige die dat liet blijken. Met een slecht voorgevoel legde ze haar schrijfboek neer en liep ze haar echtgenoot tegemoet.
“Kom.” Hij pakte haar hand en leidde haar terug naar de schaduw van de reusachtige boom die het pad naar de burcht markeerde. Het was moeilijk voor te stellen dat ze zich daar, aan de voet van de heuvel, bijna recht boven de werkplaats van de burcht bevonden, het bedrijvige middelpunt van de gemeenschap in de vallei.
Niemand kende de weerzinwekkende kant van de burcht beter dan zij, al sprak ze daar weinig over. Ze had daar ook haar zwakte voor het schrijven vandaan en hij vond de waardering die Danar daarvoor uitsprak maar moeilijk te rijmen. Beiden zwegen, zich wederzijds bewust van de zorgelijke rimpels op het voorhoofd van de ander. Haar ogen dwaalden af naar de grijsaard en schoten daarna schielijk naar Varnu terug. Hij kende haar onuitgesproken angst.
Onwillekeurig luisterde het tweetal een ogenblik naar de heldere klanken van Danars stem, die tot ver in het landschap gedragen werd. Zelfs onder deze omstandigheden was het een genot om naar hem te luisteren, in een taal waarvan de woorden niet ophielden te betoveren.
“Hij moet worden afgemaakt,” berichtte hij zonder omhaal van woorden.
Vera keek hem aan, maar gaf geen weerwoord.
“Dat is alles wat ze mij in de werkplaats te vertellen hadden…”
“Hebben ze ook geluisterd naar wat jij te vertellen had?” vroeg Vera scherp. “Over het Lied en hoe dit ook de burcht aangaat?”
Nadenkend schudde Varnu zijn hoofd en hoewel hij uiterlijk altijd even bedaard bleef, zag ze de woede in zijn ogen.
“Het Lied zegt ze niets. Ze hebben nooit van het Verdronken Land gehoord. Buiten de vallei met de burcht en het buitenkamp bestaat voor hen alleen de wereld van Vijandster. Ze vinden dat als Danar niet van hier is, ons Verbond hem niet mag beschermen.”
Vera wist wat dit betekende. De burchtleiding leerde de bewoners van de vallei over de Wraak tegen de Vijand, die volgens de Eed van Warnow het enige doel in het leven was en onmiddellijk moest worden toegepast op iedereen die geen deel uitmaakte van het Verbond. Het leek altijd zo eenvoudig, maar nu ging het om een vreemdeling die ze persoonlijk hadden leren kennen en waren gaan waarderen. Aarzelend fluisterde ze: “Wanneer komen ze voor hem?”
“Morgenochtend komen ze voor óns. Als zijn dode lichaam niet voor die tijd bij de burchtdeur gevonden is.”
Uiterlijk onbewogen staarde Vera naar haar voeten en Varnu trok haar troostend tegen zich aan.
Hij vermaande haar. “We zullen het hem moeten vertellen. En ook aan de rest van onze stam, want het gaat iedereen aan.”
“Maar niet nu,” antwoordde Vera resoluut en ze maakte zich van hem los. “Danar was er daarstraks heel duidelijk over. Meer dan de helft van het Lied is nog niet aan ons onthuld. Vandaag zal hij het tot het einde aan ons voorzingen.”
“Nu ineens?” Verwonderd vroeg Varnu zich af hoeveel Danar misschien al had voorzien. Was de rampzalige afloop van zijn bemiddelingspoging dan niet alleen hemzelf toe te rekenen? Onmogelijk, hij zette de gedachte uit zijn hoofd en vroeg bezorgd: ”Hebben we daar nog wel tijd voor?”
Danar kennende ging hij gemakkelijk tot diep in het middaguur door. Ook hij kende het belang van de kennis waarin de stam wilde delen, al gaf hij meestal de indruk zijn verhalen louter voor eigen vermaak te vertellen. Varnu had al veel eerder opgedragen dat elk woord van zijn lippen, elke versregel gememoriseerd moest worden. Het Verdronken Land ging schuil in het Lied en moest in het geheugen worden vastgelegd. Zoveel mogelijk ervan moest in de herinnering bewaard blijven. Dit was de taak geworden van elke volwassene in het kamp. Jammer genoeg was Danar nog altijd de enige die het Lied helemaal kende. Varnu, Zerina en Erna hadden al bijna een jaar lang elke dag de verzen uit hun hoofd geleerd, behalve Vera, die door haar afkomst in de burcht slechts vertrouwd was met het memoriseren van rekenformules dus woorden daarom liever opschreef. Varnu had nooit willen geloven dat de woorden daarmee hun rotsvaste ritme en aansprekende beelden behielden. De noodzaak het voortbestaan van het Lied te borgen, was nooit eerder zo dringend geweest als deze ochtend, maar dat was nog geen reden haar zienswijze over het geschreven woord over te nemen.
“Slecht nieuws kunnen we beter stilhouden,” verklaarde Vera, en ze wierp hem een onderzoekende blik toe. “Behalve als je al een oplossing hebt. Is dat zo?” Ze wist dat hij die niet had en haalde haar schouders op. Het had geen zin het noodlot te overpeinzen, zoals Varnu nu overduidelijk aan het doen was. “Vertel hem liever nog niets en laat ons van deze laatste dag genieten!”
Hierop draaide ze zich om en bereikte met een vloeiende beweging de kring rond het vuur, Varnu nors achterlatend totdat ook hij voor het kampvuur koos en geruisloos naast haar neerhurkte.

Het vuur knapperde en vonkte vervaarlijk. Varnu keek lichtbezorgd naar Vera, maar met een kneep in zijn hand beduidde ze hem te zwijgen. Pas toen zag hij de ontzetting in de ogen van de allerkleinsten. Met angstige gezichtjes, de wangen rood gekleurd van de kou en spanning, staarden ze in het vuur alsof ze daar verbeeld zagen waarover Danar verhaalde. Ook de weinige volwassenen die het buitenkamp rijk was, ontgingen de oplaaiende vlammen niet, die leken te dansen op de alsmaar dwingender stem van de zanger. Zonder terughoudendheid of aandacht voor zijn toehoorders, liet hij de woorden rollen.
Het lied klonk krachtiger en indringender dan anders en ondanks zijn zorgen liet Varnu zich meevoeren. Deze keer riepen de klanken van de geschiedzanger andere beelden op dan de gebruikelijke blanke stranden en het wuivend helmgras, de brede rivieren, het riet en de uitgestrekte heidevelden van de streek waar nu het Verdronken Land lag.
Alsof er een furie opgelaaid was, leek het Lied aan te zwellen. Het leek of de vlammen zich hadden voorgenomen op innerlijke kracht verder te branden en vorm te geven aan onbekende drijfveren, die niet van deze wereld konden zijn. Ja, het was of in de vlammen een vrouwspersoon zichtbaar werd, nu eens grillig naar alle kanten uitwaaierend, dan weer zich schuw terugtrekkend. Eenmaal in leven geroepen, leek ze losgesneden van haar mysterieuze herkomst en voornemens haar verhaal zelfstandig te voltooien. Hoeveel opgestapelde woede zou ze in de vertellingen van Danar gevonden hebben om ineens zo vurig uit te halen? Haar wispelturigheid was moeilijk te volgen, maar toch leek één van haar gezichten een ogenblik lang vaste vorm aan te nemen. Varnu keek ademloos toe.
Nebula. Alleen de verhalen van Danar vertelden over haar, maar vanaf de eerste keer dat hij over haar had gehoord, was het geweest alsof hij haar door en door kende, in alledrie haar verschijningsvormen. Het levendige gezicht van Worden had hem vaak genoeg uitgedaagd en doen verlangen naar de overvloed van het onbekende. Haar bekoorlijkheid was inmiddels spreekwoordelijk in het buitenkamp, net als de zelfverzekerdheid van Woord die de dingen het liefst liet zoals die waren, vastgelegd in eenduidige woorden, in ja of nee. Het zachte gezicht van West was hem altijd het liefst geweest, omdat ze waakte over het gemeenschappelijke kampvuur en erop toezag dat het bleef branden. In het hier en nu was dit hun huis en haard, maar uitgerekend vandaag was alle huiselijkheid die hen gewoonlijk in het buitenkamp omringde, verdwenen en deed West hem verlangen naar het verre gewest waar de zon ondergaat.
Ongemakkelijk verschoof hij zijn voeten en hij steunde zijn handen op het koude kiezelgruis van de bevroren grond. Tijdens zijn missie naar de burcht had hij het uiterste gedaan wat binnen de bestaande verhoudingen mogelijk was, en gehandeld volgens de wetten waarmee het buitenkamp vertrouwd was. En toch leek het alsof de grillige vlammenvrouw hem nu berispend aankeek vanuit het vuur. Was het waar dat hij in de burcht voor verkeerde belangen was opgekomen en tijd had verspild? Een zware verantwoordelijkheid drukte op zijn schouders. De indringende aanwezigheid van Nebula maakte hem duidelijk dat ze hem opriep snel te beslissen en tot actie over te gaan.
Wie dacht ze te zijn om hem zo op de proef te stellen! Nebula met haar onuitgesproken aansporingen, zoals ze nu met vuur in de rondte hakte op zelfs de minst ontvlambare stronken. Hij moest een besluit nemen, maar hoe vrij kon zijn keuze zijn in de wetenschap dat elke beslissing zijn volk en hemzelf zou overleveren aan de gevolgen? Elke keuze, elk besluit zou eenmalig en onherroepelijk zijn, maar uitstel leek ondenkbaar. Haar aanwezigheid leek sterk genoeg om zelfs de grootste reus te ontwortelen en in vuur en vlam te zetten. Een enkel woord van haar had de kracht om het lot volkomen vast te leggen, en toch sprak zij niet tot hem en gaf ze hem geen bevelen. Een ontheemd gevoel overviel hem nu hij besefte dat de godin de bepaling van het lot aan hem alleen overliet.
Besluiteloos graaiden zijn handen rond tussen de kiezels. Zijn gespannen en verkleumde vingers vonden een brok kalksteen en namen deze in een ijzeren greep. Hij voelde de woede van zijn verontwaardiging over het onrecht dat Danar was aangedaan langs het gesteente naar Aarde afvloeien en hij haalde diep adem. Wat verlangde hij naar de verre wereld van Nebula! Terug naar een aangeboren recht op geborgenheid dat de burchtleiding nooit was nagekomen, maar dat dankzij de verhalen van Danar nu voor iedereen die het Lied kende in het Verdronken Land, het vroegere Nevelland, op hen wachtte …
Varnu verstarde. Wilde Nebula werkelijk bewerkstelligen dat hij het buitenkamp voorgoed losmaakte van de burcht? Maar ze waren loyaliteit aan het Verbond verschuldigd! Als ze hun verplichtingen zouden verzaken, dan zou de Wraak hen bij elke stap die ze zetten, achtervolgen. Als hij de leer ernstig wilde opvatten, en dat deed hij, dan was daar geen ontkomen aan. Weliswaar bezong het Lied een andere werkelijkheid, maar in de burcht gaf dit alleen maar problemen. De uitleg die Danar over het Verbond gaf, was een heel andere. Hij sprak liever van het Verbond van Wording en verwierp het bestaan van een Verbond dat het lot tot aan het Grote Niets vastlegt. Zijn bezoek had hem nu aan te twijfelen gebracht. Er stond teveel op het spel! Elke beslissing zou onherroepelijk zijn als het hout dat, eenmaal door het vuur verbrand, in as verandert en nooit meer dezelfde boomstronk wordt. Niemand mocht hij toestaan over zijn beslissingen te beschikken. Volgens Danar was de toekomst in eeuwige wording, in overeenstemming met het pad van iedereen met een vrije wil. Zelfs Nebula moest zich daaraan houden.
Een blik op het vuur herinnerde hem eraan dat Nebula de keuze aan hem had gelaten. De vlammen waren gekalmeerd. Zij zou hem de weg wijzen, dat kon hij wel aanvaarden. Wat dan verder mogelijk was of onmogelijk, mooi of lelijk, wenselijk of juist vermijdelijk, was aan hem alleen om te beoordelen.
Hoe zo’n keuze ook uitpakte, bovenal was hem duidelijk dat het leven van zijn stam spoedig drastisch zou veranderen. Niemand durfde het nog aan om van het Verbond te scheiden en hij kon niet zomaar doen wat hem goeddunkte. Hij was feilbaar. Misschien dat zijn besluit als leider confrontatie zou brengen. Dan zou de vrede in de vallei voorgoed voorbij zijn.

Een doffe knal onderbrak Danars vlammende woordenstroom en Nebula viel terug in het vuur. Beduusd staarde Varnu naar het gruis in zijn hand. Hij had er niet bij nagedacht dat hij het Lied van de geschiedzanger met zijn opgekropte woede zou kunnen onderbreken. Strak keek Danar hem in de ogen, maar niet uit verontwaardiging. Vera deed of ze niets gemerkt had en legde de laatste hand aan het metrische schoonschrift waarmee ze tegen wil en dank de vertellingen van Danar optekende, in de taal van het Lied. Toen ze haar schrijfstift had neergelegd, begreep ze dat hij alleen maar verbaasd was bij de aanblik van de in stukken gebroken steen. De oude man floot zachtjes tussen zijn tanden. Hoe kon hij zich hierover zo verbaasd tonen? Zoveel kracht was er niet voor nodig om een steen te vergruizen. Bovendien waren de helden uit Danars verhalen vele malen sterker dan Varnu ooit kon zijn. Speelde de geschiedzanger soms een spelletje met hem? Er steeg gegrinnik op uit de kring.
Pegel en Hagel, de twee meest uit de kluiten gewassen jongens onder de kinderen, grepen elk een steen en knepen er om het hardst in. De steen van Hagel brak het eerst en Pegel sloeg de zijne teleurgesteld met zijn andere vuist stuk. Binnen de kortste keren grepen ook de kleinere kinderen een steen van de grond en deden ze hilarische pogingen om hen dit na te doen.
“Stop!” riep Erna boven het plotselinge gejoel uit.
Danar schudde meewarig zijn hoofd en onmiddellijk was het stil. Glimlachend keek hij de kring rond. Het was een wonderlijk volk dat hij hier in de uitgestrekte wouden aan de rand van de wereld was tegengekomen. Ze waren bovenmenselijk sterk, en zich zo onbewust van alles wat hij als gewoon beschouwde. En van de kou leken ze nauwelijks last te hebben. Ze hadden iets van oermensen. De rest van de wereld was hun volslagen vreemd en voor zover hij wist, gingen er geen geruchten de ronde van schepsels zoals zij. Uiteindelijk liet hij zijn blik naar Varnu terugkeren en nam hij hem indringend op, nog altijd zonder hem daadwerkelijk in de kring te verwelkomen. In plaats daarvan ging hij verder met zijn verhaal en liet hij Varnu niet meer los met zijn blik, want wat volgde was speciaal voor hem bedoeld.
Opnieuw zwol zijn stem aan, tot heel het woud galmde van de woorden in die vreemde taal, die alleen bij het Lied leken te kunnen horen. De kinderen kropen dichter bij elkaar en zelfs de volwassenen schoven beetje bij beetje naar elkaar toe. Vera pakte haar schrijfstift niet meer op. Dit ging niet langer over een verre en eeuwenoude droomwereld. Voor het eerst ging het over de echte wereld waarin zij leefden. Alsof het Lied het Verdronken Land had verlaten en haar roep uit de oertijd eindelijk de toegangspoorten van de burcht had bereikt. Het besef van de eigen nietigheid was verbijsterend, maar ook verwarrend nu Danar beelden opriep van een wereld waarvan zelfs geen geruchten de omloop deden. De kennis van iedereen die in en rond de burcht was opgegroeid, reikte nauwelijks tot aan de rand van de vallei, waar Verlaten Aarde begon. Slechts een enkeling was daar geweest. Machtige trollenwegen doorsneden het landschap en leidden de jagers van het buitenkamp langs ruïnes die met de afstand hoger en talrijker werden. De bijkans mythologische Varig was het verst gegaan en had bij de jacht zelfs de zee gezien en Uddevalla, de lege trollenstad aan het water. Ze wisten niet beter dan dat daar voorbij het gevaar van Vijandster loerde, maar Danar vertelde dat Verlaten Aarde veel groter was, en ook de wereld daar voorbij. Het idee dat er nu ver in het zuiden ook een bewoond oord genaamd Metropool opdoemde, was nieuw voor hen. Danar beschreef de enorme opeenhoping van bouwsels waar hij was langsgekomen, gemaakt van onverwoestbaar trollenkristal. Metropool was letterlijk zo hoog als een bergketen! Volgens Danar was het de belangrijkste plek waar nog mensen woonden. Hij vertelde van de trieste gebeurtenissen tijdens de Grote Ontruiming, die Aarde verlaten had achtergelaten, en over hoe mensen sindsdien onder het juk van wettelijke plichtplegers leefden.
Varnu kon het oord niet thuisbrengen, ondanks de lessen die hij over de oude tijd had ontvangen. Warnow had de burcht gesticht op het toppunt van zijn hartstochtelijk verzet tegen de wereld, maar over die tijd werd niet gerept van een stad met de naam Metropool. Wraakwachters zouden deze anders wel als erfvijand bestempeld hebben, bedacht hij. Warnow was de stamvader van iedereen die in de vallei gebonden was aan het Verbond, maar als hij tijdens de stichting de poorten van de burcht vergrendeld had, dan moest Metropool haar volle glorie pas veel later bereikt hebben. Zelfs voor zijn grootvader Varig, die Verlaten Aarde had ontdekt, was Metropool onbekend gebleven. Toch riepen de woorden van Danar het ontzag voor een geduchte macht op, groter dan alles waarvan zij ooit gehoord hadden tezamen. Ongelovig schudde hij zijn hoofd. Het was moeilijk voor te stellen dat zijn volk zolang in afzondering had geleefd, dat het onwetend was van alles wat in de tussentijd gebeurde. Alles waarmee hij en alle ander toehoorders waren opgegroeid, wankelde. Metropool, gelukkig leken ze er in deze contreien door vergeten.
“Het valt niet te ontkennen dat het Lied aan sommigen onder ons voorbij is gegaan,” besloot Danar zijn verhaal. Hij was overgeschakeld op de voor iedereen veel meer vertrouwde taal van de vallei. Hij sprak de woorden met een uitdagende glans in zijn ogen, als om zijn enorme prestatie om die zo snel te hebben aangeleerd, te benadrukken. Zijn uitspraak was verrassend melodieus, hoewel duidelijk uitheems: “Maar bij de Grote Smid, wat maakt het uit! Niemand kan de ware wereld van zich afschuiven.”
Intussen was het vuur helemaal bedaard. Varnu stond beschaamd op. Ofschoon hij het niet kon duiden, was het overduidelijk dat de oude geschiedzanger wist van de jammerlijke mislukking van zijn missie in de burcht. Hij deed een stap naar voren en weerhield Danar er met een handgebaar van zijn verhalen voort te zetten.
“Onze broeders in de burcht beweren dat het Lied bedrog is,” sprak hij bars. “Hoe kan ik dat weerleggen? Het is onmogelijk om de waarheid ervan aan te tonen.”
Danar ontspande zich, schudde zijn grijze lokken en rechtte zijn rug. Ondanks zijn leeftijd zag hij er met zijn lange baard indrukwekkend uit. Scheren was in de vallei ooit het exclusieve voorrecht van martelaren geweest, maar door de nieuwste bepalingen van de Wraak was het martelaarschap inmiddels de gewone plicht van iedereen geworden en was scheren een gebod van de Wraak. In de ogen van de burchtleiders was hij een ketter.
“Wie goed heeft leren luisteren, weet dat bedrog geen Lied heeft,” antwoordde Danar koel. Zoals gewoonlijk deed zijn accent geen enkele afbreuk aan deze boodschap.
“In de burcht geldt een andere logica,” verklaarde Varnu, waarna hij er mistroostig aan toevoegde: “Het Lied hoort daar niet bij en jij….”
“Ik hoor bij niemand!” onderbrak Danar hem theatraal. “Ik ben een troubadour die het ooit in zijn hoofd haalde het lied van de noordenwind te willen horen. Die wind jaagt hoog over de bomen van het woud, drijft jachtwild en water voor zich uit en in het lage land brengt die vruchtbare aarde. Wie scherpe zintuigen heeft, kan ernaar leren luisteren. Het is ons allemaal aangeboren. Wie zou er niet willen luisteren naar een Lied dat door Nebula zelf gezongen wordt! Er is geen bedrog in het verhaal van de wind.”
“Niemand wist ervan,” wierp Varnu tegen en hij dacht aan de kritische boodschap van de burcht. Waser had zelfs geïnsinueerd dat het Lied werd gezongen in de verdoemde taal van de Vijand, maar hoe kon hij dat weten?
De grijsaard zuchtte. “Terwijl kennis bestemd is voor iedereen, voor altijd. De wereld is veranderd sinds jullie verre voorouders zich ingroeven. Zij waren al even veel van Aarde vervreemd als de rest.”
“De rest?”
“Mensen. De Vijand, volgens jullie godsdienst.”
“Het Verbond is geen dienst voor de goden,” wees Varnu hem terecht.
“Het zij zo. De Wraak nog minder,” snoof Danar. “Althans, niet voor goden die ik ook maar één blik waardig zou keuren.”
Onbegrijpend schudde Varnu zijn hoofd. Het Verbond verenigde iedereen die zich voor de toekomst inspande. Voor iedereen die had gezworen bij de Eed van Warnow betekende dit het Grote Niets. De wetten die Warnow in zijn boek had vastgelegd, spraken voor zich en anders waren de Wraakwachters er wel om dat in te zouten.
“De leer keert zich af van alles wat niet beredeneerd kan worden en leert dat de wereld moet worden teruggebracht tot…”
“Niets? Dan blijft er inderdaad weinig over om te weten of te hoeven begrijpen.” Danar nam hem peilend op. “Hoe redelijk is het om te geloven in welke reden voor vernietiging dan ook?”
“Niet alles hoeft noodzakelijkerwijs vernietigd te worden,” antwoordde Varnu automatisch. “Elke ingewijde in de Wraak kan opgaan in het Grote Niets door zich te verenigen met het Verbond, of beter gezegd met het object dat het Verbond symboliseert. Jammer genoeg is vereniging langs de weg van de Snelle Dood niet voor iedereen weggelegd.”
“Zelfeliminatie. Hiervoor zou ik de burcht een punt gegeven hebben als het niet zo verdomd krankzinnig klonk. Van alles wat bestaat, zijn mensen nog wel het moeilijkst te begrijpen.”
Varnu kneep zijn ogen samen voor een kritische vraag. “Je zegt mensen. Dus je geeft toe dat de Vijand bestaat?”
“Vraag je dit namens de burcht of uit nieuwsgierigheid?”
Varnu vloekte. Nee, hij was alleen de boodschapper. Toch was Danar hem een antwoord verschuldigd.
Ontwijkend antwoordde Danar: “Ik begrijp dat jullie vanwege de leer van de Wraak nooit geleerd hebben jezelf als mensen te zien. Feit is dat jullie hier in de vallei te weinig van de wereld afweten om te oordelen over het welzijn of de verdoemenis van de rest.”
Het viel Varnu telkens zwaarder om de geschiedzanger de harde waarheid over diens lot te vertellen. Het was tijd om tot zaken te komen en hij besloot: “In de burcht is beslist dat jij ook behoort tot… die rest.”

Danar voelde de ogen in de kring rond het vuur opnieuw verwachtingsvol op hem gericht. De stam was benieuwd naar zijn weerwoord, maar voor het eerst wist hij niet goed wat te zeggen. Wanneer hij niet verhaalde van vroeger tijden was hij een man van weinig woorden, vooral nu zo duidelijk was dat hij in een wereld verkeerde die hem nog steeds totaal vreemd was. Hoe zou hij een weerwoord kunnen vinden tegen opvattingen van schepsels die met handen en voeten gebonden waren aan een eed van vernietiging die hen met de paplepel was ingegoten? Nee, bij de Wraakgedachte kon hij zich niets voorstellen. Vanwaar die heilige overtuiging dat ultieme destructie van Aarde het hoogst bereikbare doel was? De bewoners van het buitenkamp waren zijn beste vrienden en toch slaagden ze er niet in zich helemaal van zulke opvattingen los te maken, ook al ging het nu oom hem. Hij schudde zijn hoofd en liet zijn blik terugkeren naar leider. Fors gebouwd, maar een jongeman nog. De verantwoordelijkheid die op diens schouders drukte, maakte dat hij er ouder uitzag dan hij in werkelijkheid was. Hij haalde diep adem. Wat hij te zeggen had, was eenvoudig genoeg. Hij moest erop vertrouwen dat Varnu zijn woorden op waarde kon schatten, zelfs al was diens denkwereld zoveel anders dan de zijne. Alles kon tegen hem gebruikt worden, maar ondanks de heersende opvattingen schatte hij het zelfstandig denkvermogen van de jongeman hoog in.
“Het gaat niet om wat anderen zeggen,” zei Danar uiteindelijk. “Het gaat erom wat jij zelf vindt.”
Alleen het onregelmatig knappen van de stronken doorbrak de stilte. Bevroren aarde gluurde hier en daar door de sneeuw. Een onverwachte windvlaag deed de hoge dennenbomen rillen en stukjes ijs vielen door de takken omlaag in een wolk van stuivende sneeuw. Even leek Varnu de ijzige werkelijkheid te willen aftasten. Om te luisteren naar Aarde, zoals Danar hem geleerd had te doen. In de vrieskou van de dageraad droeg elke ritseling welhaast oneindig ver. Het liefst was hij verdwenen in de droomwereld. Hij rechtte zijn rug.
“Geschiedzanger.” Zijn stem klonk zacht en melodieus. “Al sinds de dag dat onze kleine Karlu je ontdekte in de sneeuw, toen we jou in ons kamp opnamen, meer dood dan levend, ben je één van ons geweest. Als vriend. Maar de vriendschap en goede bedoelingen die ik kan aanvoelen, en ieder ander in het buitenkamp, doen er niet toe. De leiders in de burcht bepalen over goed en kwaad. Er is slecht nieuws dat ons allemaal evenveel aangaat en daarom zal ik je niet in een tent apart nemen om het je te vertellen. Het besluit dat wij moeten nemen, is dat van ons allen.”
Danar knikte met vaderlijke goedkeuring en wachtte geduldig af waarnaar Varnu’s woorden zouden leiden. Hij bewonderde zijn uiterlijke rust, want hij kon de woede in hem voelen.
Varnu koos zijn woorden met zorg. Haast wanhopig vroeg hij zich af hoe hij het ooit over zijn lippen zou kunnen verkrijgen om de geschiedzanger te vertellen dat de burchtleiding zijn dood eiste. “Je bent van de wereld buiten. Ja, net als wij, ook al wordt ons leven in het buitenkamp overschaduwd door de burcht en zijn wij middels het Verbond gebonden door een eed aan de Wraak.”
Overschaduwd? Gekerkerd was beter uitgedrukt, vond de oude man. Hij onderdrukte echter zijn opwelling dit Varnu luidruchtig in te wrijven. Het mocht niet zijn bedoeling zijn een wig te drijven tussen het buitenkamp en de burcht, en het wederzijdse onbegrip nog erger te maken dan het al was.
“Gelukkig hoor ik bij niemand en heb ik nooit een eed afgelegd,” verklaarde Danar. “Over zoveel blinde verplichtingen kan ik niet meepraten.”
“Zo blind zijn we niet!” antwoordde Varnu trots.
Danar zag instemmend knikkende gezichten van Erna, Vera en Zerina, maar hun blik was treurig.
“Danar, je bent aan geen enkele eed verbonden. Toch zijn we allebei buitenstaanders en delen we hetzelfde lot, met het verschil dat wij een beroep op het Verbond mogen doen om te overleven.”
“Alleen daarop?” vroeg Danar verbaasd, want het was hem niet ontgaan dat het voedsel in de burcht ongehoord smakeloos was. De voorraden bestonden uit ingeblikt, gedroogd en bevroren voedsel dat misschien wel uit de begintijd stamde. Vaak had hij zich afgevraagd hoeveel daarvan inmiddels bedorven of giftig was. Het buitenkamp was er de enige bron van verse waren. “Geloof me, de voedselschaarste in de burcht is jullie beste levensverzekering. Beter nog, die is jullie voorspoed. Verbond of geen Verbond, voor de burcht zijn jullie onmisbaar!”
“We zijn hard nodig, en dat is inderdaad de enige reden waarom de burchtleiding zich nog aan de afspraken houdt,” beaamde Varnu. “We voorzien de burcht van wat Aarde ons geeft. Vlees, knollen, noten. Het is er niet voor iedereen even belangrijk.”
Danar balde zijn handen tot vuisten. “Ze kunnen er het uiteindelijke oordeel maar beter niet laten afhangen van degenen die het best te eten krijgen! Zonder het buitenkamp ziet het er slecht voor de burcht uit.”
“Dat wordt door de burchtleiding ontkend.”
“Net zoals die blijft ontkennen dat voedselschaarste mijn jonge vrienden in de kring als vondelingen de sneeuw indreef? Het ontbreekt ze er aan voldoende voedsel om al die monden te vullen. Iets anders maken ze me niet wijs.”
“Dat verandert niets,” antwoordde Varnu bitter. Hij kende de burchtleiding maar al te goed. Sinds zijn grootvader Varig zich had opgeofferd voor het welzijn van de burcht en besloot liever naar boven te gaan dan gebruik te blijven maken van de slinkende voedselvoorraad, had niemand zijn voorbeeld nagestreefd, zelfs niet gewaardeerd. Eenmaal buiten stond hij er alleen voor en Killo, eens zijn beste vriend, keerde zich van hem af. Varig wist nieuwe voedselbronnen aan te boren, die hij deelde met de burcht, maar zijn mensen van het buitenkamp werden steeds meer behandeld als bannelingen. Varig wist te bedingen dat het Verbond hen zou blijven beschermen tegen elke vorm van vernietiging, in afwachting van de Wraak. Dat was alles.
“Echt zeker zullen we ons leven nooit zijn. De Wraak zal er komen, vroeg of laat.”
“Maar hoe kun je dat verdragen!” Wat betekende de burcht toch voor hen? Maar Danar herinnerde zich zijn voornemen om geen tweespalt te zaaien. Hij moest hen moed inspreken: “Zo erg mag het niet zijn! Beschouw jullie nut als een stevige voet tussen de deur om het licht van het Lied tot diep in de burchtse krochten te laten doordringen. Dat zal hen wel wakker schudden.”
Varnu deed zijn best niet schuldbewust ineen te krimpen. Hoe wist Danar dat hij zich daar onvoldoende voor had ingezet?
“Hier in de vallei hebben we alleen gehoord van hoe alles eindigt,” merkte Varnu toonloos op.
“Met de Wraak?” Danar keek hem scherp aan. Waarom bleef hij daar toch in geloven?
Hulpeloos keek Varnu naar het vuur, heen en weer geslingerd tussen zijn loyaliteit aan de Wraak en de boodschap van het Lied. Het scheen hem een bijna onmogelijke opgave toe om die met elkaar te verenigingen. Hij schudde zijn hoofd.
“Dat spreekt vanzelf.” Het antwoord leek hem echter niet helemaal te bevredigen. Varnu haalde diep adem en zei voorzichtig: “Tenzij het Lied alles heel anders doet aflopen dan verwacht.”
Danars hartelijke lach vulde het kamp. “Dat kan altijd. Ik heb nog lang niet het hele Lied voorgezongen!”
Varnu zweeg, onmachtig zichzelf ertoe te bewegen de geschiedzanger met beide benen op de grond te zetten. Er konden onmogelijk twee versies van de waarheid zijn.
“Danar, je bent hier niet veilig” vatte Vera de situatie uiteindelijk nuchter samen nu ze in de gaten had dat Varnu het niet kon zeggen.
Danar knikte alleen. Zijn op Varnu gerichte blik werd nog indringender.
Eindelijk begreep Varnu dat hij niet langer om zijn mislukte missie in de burcht heen kon draaien. Hij zuchtte en zei: “Jij denkt maar dat de burchtleiders oren hebben naar wat jij het goede noemt, naar de verhalen van het Lied. Niets is minder waar. Ze willen feiten en motieven horen die thuishoren in de Wraak.”
Dat dilemma kon Danar wel begrijpen, maar hij zweeg. Varnu was nog niet uitgepraat.
“Ik heb het verbruid,” bekende hij. “Ik wilde de ogen van de burchtleiding openen voor het Lied, maar liet me verleiden eerst beklag te doen over het onrecht dat ons al drie generaties wordt aangedaan. Ons kamp werd nooit als volwaardig beschouwd. Onze bijdrage aan de Wraak wordt niet gewaardeerd, we worden buitengesloten en dat hebben we niet verdiend. Het Verbond is ook van ons, we willen meedingen met de maandelijkse trofee! Ik heb het onbegrip alleen maar erger gemaakt. In de burcht zijn ze des duivels. Nu zeggen ze dat jij onze geesten hebt vergiftigd en een verrader bent. Iemand zonder recht op bescherming door het Verbond. Kortom, een Vijand!”
“Ze eisen je terechtstelling,” verduidelijkte Vera ernstig.

  1. Olaf
    April 7, 2010 at 22:26

    Ik heb het een paar mensen laten lezen en ze vonden het vet!
    Go go go

  2. August 11, 2012 at 14:34

    Geweldig verhaal. SVP meer!!!!!!

  1. No trackbacks yet.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s